Zaken geëindigd zonder straf of maatregel? Mail de redactie!

Liegende agenten maken zaak stuk.

De feiten:  

De rechtbank stelt vast dat alle hiervoor omschreven fouten en onregelmatigheden pas ten tijde van de verhoren bij de rechter-commissaris aan het licht zijn gekomen.
Verbalisant [naam verbalisant 1] is als tactisch coördinator aan het onderzoek verbonden. De rechtbank stelt vast dat [naam verbalisant 1] tijdens zijn verhoren regelmatig is teruggekomen op eerdere antwoorden, waarvan hij eerder in het verhoor had aangegeven hier 100% zeker van te zijn. [naam verbalisant 1] heeft hierbij zelf onder meer verwezen naar zijn ambtseed. Het is niet alleen de verdediging geweest die vraagtekens heeft geplaatst bij de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van [naam verbalisant 1]. Ook de rechter-commissaris heeft op enig moment aangegeven ernstig te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring(en) van [naam verbalisant 1]. De rechtbank acht het bijzonder kwalijk dat de verbalisanten in sterke mate aanleiding hebben gegeven tot het in twijfel trekken van hun betrouwbaarheid, waardoor zij naar het oordeel van de rechtbank tevens de betrouwbaarheid van het gehele onderzoek op het spel hebben gezet. Dit geldt met name voor de verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 4], die respectievelijk als tactisch coördinator en teamleider een zeer groot en belangrijk aandeel hebben gehad in het gehele onderzoek.Ten slotte wordt door de verbalisanten wisselend en/of tegenstrijdig verklaard met betrekking tot het antwoord op de vraag wat de wetenschap van de verbalisanten [naam verbalisant 2] en [naam verbalisant 1] is geweest over aan de zaak gerelateerde informatie ten tijde van het verhoor van [verdachte] op 9 oktober 2008 en welke antwoorden van [verdachte] dus gedeeltelijk zijn gebaseerd op vragen, voortkomende uit die wetenschap. De rechtbank concludeert hiermee dat er zowel op 9 als op 15 oktober 2008 als in de tijdspanne tussen beide data, het nodige is misgegaan. De vraag die voorts dient te worden beantwoord is of dit consequenties dient te hebben, en zo ja, welke. 

 

Op grond van al het vorenstaande is de rechtbank tot het volgende oordeel gekomen. De rechtbank stelt vast dat er in ieder geval is gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 29, lid 3, van het Wetboek van Strafvordering, waarin is bepaald dat de verklaringen van een verdachte zo veel mogelijk in zijn eigen woorden moeten worden opgenomen, en de artikelen 152 en 153, lid 2, van het Wetboek van Strafvordering, waarin is bepaald op welke wijze een proces-verbaal dient te worden opgemaakt en aan welke vereisten het dient te voldoen. Dit zijn vormverzuimen en de vraag dient te worden beantwoord welke consequenties in het licht van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering daaraan moeten worden verbonden.
Dit artikel stelt dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk kan worden verklaard, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld. In tegenstelling tot hetgeen door de officier van justitie ter zitting van 13 januari 2010 is betoogd, is de rechtbank van oordeel dat er in het onderhavige geval sprake is van een vormverzuim dat onherstelbaar is. 

 

Naar het oordeel van de rechtbank miskent de officier van justitie immers een aantal belangrijke punten, te weten:
1.  hetgeen is opgenomen in het proces-verbaal van 14 oktober 2008 was in feite niet zíjn ([verdachte]’s) verklaring;
2.  de verbalisanten hebben op 15 oktober 2008 tot driemaal toe verzuimd aan [verdachte] te melden dat er aanvullingen en wijzigingen waren toegevoegd aan zijn verklaring van 9 oktober 2008.
In ieder geval blijkt dit op geen enkele wijze uit het proces-verbaal van 15 oktober 2008;
3.  [verdachte] heeft op 15 oktober 2008 aangegeven dat “hij het allemaal niet wilde horen”, dat hij zich wilde beroepen op zijn zwijgrecht en dat hij zich niet lekker voelde.
De opmerking van de officier van justitie dat de verklaring van [verdachte] op 15 oktober 2008 aan [verdachte] is voorgelezen, komt daarmee immers in een geheel ander licht te staan. 

 

Oordeel Rechtbank:
Alles afwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat er sprake is van een ernstige schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijk proces is tekort gedaan.
Immers, door het handelen van de verbalisanten valt niet meer naar behoren te reconstrueren hoe het verhoor van [verdachte] op 9 oktober 2008 precies is verlopen. De rechtbank is van oordeel dat er de nodige vraagtekens geplaatst dienen te worden bij de volgorde waarin het een en ander zou zijn verklaard, de wetenschap van aan de zaak gerelateerde informatie bij de verbalisanten [naam verbalisant 2] en [naam verbalisant 1], de vragen die aan [verdachte] zijn gesteld en de aanvullingen die na afloop van het verhoor door de verbalisanten zijn gemaakt op de verklaring. De “bekentenis” van [verdachte] vormt naar het oordeel van de rechtbank een essentieel onderdeel van het gehele onderzoek. Door de hiervoor geschetste gang van zaken is die verklaring, en daarmee ook het gehele onderzoek, dermate besmet, dat daaraan verregaande consequenties dienen te worden verbonden. Nu er sprake is van een fundamentele inbreuk op de procesorde, dient, los van de vraag of de verdachte in zijn belangen is geschaad, het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging. Die inbreuk raakt de rechtspleging immers in haar kern.
De rechtbank verwijst hierbij naar de arresten van het Gerechtshof ’s-Gravenhage van
21 februari 2008 (LJN BC7164) en de Hoge Raad van 1 juni 1999 (LJN ZD1143), waarin het zogeheten “Karmancriterium” is vastgelegd. Hierbij wordt met name in aanmerking genomen dat de gemeenschap een wezenlijk belang heeft bij eerlijke en volledige verbalisering door de politie, goede invulling van diens verantwoordelijkheid voor de opsporing door het openbaar ministerie en juiste informering van de rechter. Naar het oordeel van de rechtbank is daar in deze zaak geen sprake van.  

Verklaart het OM niet-ontvankelijk in haar vervolging. 

Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in mensensmokkelzaak.

Feiten:

  

Medio april 2007 kwam de rechtbank via het openbaar ministerie ter ore dat er een beschermde / bedreigde getuige zou zijn die over de zaak “Fair Play” en de beweerdelijke criminele organisatie zou kunnen verklaren. In verband met de beoogde inhoudelijke behandeling op 4 juni 2007 e.v. nam de toenmalige voorzitter op 18 april 2007 telefonisch contact op met een van beide zaaks-officieren van justitie (hierna ook te noemen: de ovj). De ovj meldde toen dat er een kluisverklaring zou worden toegezonden, eerst aan de rechtbank en zo spoedig mogelijk daarna aan de verdediging. De rechtbank ontving die dag per fax echter een ambtsbericht d.d. 30 maart 2007 van de ovj aan de betrokken hoofdofficier van justitie, betreffende de [getuige 1]. Later die dag ontving de toenmalige voorzitter van de ovj een mail met daarin het verzoek om het toegezonden ambtsbericht te vernietigen. Aan dit verzoek is door de toenmalige voorzitter nimmer gevolg gegeven.
De griffier vroeg op 25 april 2007 in een mail aan de ovj of alle betrokken raadslieden reeds in het bezit waren van informatie met betrekking tot de verklaring van de getuige. De ovj liet hierop in een mail weten waar het openbaar ministerie op dat moment mee bezig was, dat de verdediging nog van niets wist en dat de rechtbank uiterlijk twee dagen later nader bericht zou ontvangen. De rechtbank vroeg daarop in een mail de ovj binnen welke termijn de verdediging op de hoogte zou worden gebracht en voegde daaraan toe dat daarmee niet veel langer kon worden gewacht. Daarbij maakte de rechtbank de ovj erop attent dat ook dit soort mailwisselingen onderdeel uitmaakt van het dossier.
Op 27 april 2007 mailde de rechtbank de ovj een reminder, naar aanleiding waarvan laatstgenoemde telefonisch contact opnam met de waarnemend voorzitter. De ovj liet weten dat die middag de verdediging ingelicht zou worden over de getuige en over het verzoek van het openbaar ministerie om de zaak op 4 juni 2007 pro forma te behandelen. In een na dit telefoongesprek verzonden mail verzocht de ovj om de mail d.d. 25 april 2007 zijdens het openbaar ministerie geen deel uit te laten maken van het dossier.
In een fax d.d. 3 mei 2007 berichtte de ovj de rechtbank en de raadslieden onder meer dat de verwachting was dat medio mei 2007 aanvullend bewijs aan het dossier kon worden toegevoegd en dat niet uit te sluiten was dat de verdediging naar aanleiding van dat nieuwe materiaal onderzoekswensen zou hebben. Het openbaar ministerie zou de rechtbank op 4 juni 2007 verzoeken de inhoudelijke behandeling van de zaak uit te stellen.
In een fax d.d. 15 mei 2007 meldde de ovj de rechtbank en de raadslieden dat er een getuige was die inmiddels een aantal verklaringen had afgelegd over de vermoedelijke criminele organisatie en dat niet uit te sluiten viel dat gebruik van de verklaringen een gevaar op zou leveren voor de persoonlijke veiligheid van de getuige. Om die reden had de ovj het noodzakelijk gevonden veiligheidsmaatregelen te treffen, waarna het nadere onderzoek aan de hand van de verklaringen pas van start kon gaan. Dit onderzoek was toen inmiddels aangevangen. Omwille van het onderzoeksbelang wilde de ovj de afgelegde verklaringen op dat moment nog niet aan het dossier toevoegen.
Op de zitting d.d. 4 juni 2007 heeft de rechtbank het openbaar ministerie bevolen om uiterlijk op 16 juli 2007 de resultaten van de onderzoekshandelingen, voortvloeiend uit de door de nog onbekende getuige afgelegde verklaringen, aan het dossier toe te voegen en aldus aan de rechtbank en de verdediging te doen toekomen.
Bij brief d.d. 22 juni 2007 van een van de betrokken parketsecretarissen aan de voorzitter van de strafkamer bevonden zich als bijlagen de verklaringen van [getuige 1] (ook aan de verdediging verstrekt).
In een brief d.d. 29 juni 2007 verzocht de raadsvrouwe van verdachte [verdachte ], mr. Groeneveld, aan de ovj om specifieke nadere informatie met betrekking tot de [getuige 1] en merkte zij daarbij op dat het proces-verbaal van verhoor van deze getuige d.d. 13 maart 2006 ontbrak bij de toegezonden stukken.
Op 13 juli 2007 mailde een van de betrokken parketsecretarissen aan de rechtbank naar aanleiding van het ter zitting d.d. 4 juni 2007 gegeven bevel dat de vorderingen in het onderzoek zodanig waren dat het onderzoek het op dat moment niet toeliet één en ander te verspreiden.
Bij brief d.d. 27 juli 2007 berichtte de rechtbank aan de ovj dat nu het openbaar ministerie onder meer aan voormeld bevel niet had voldaan, de rechtbank daaraan op de eerstvolgende zitting die consequenties zou verbinden die zij op dat moment geraden zou achten en dat de rechtbank er verder van uit ging dat alsnog per omgaande geheel gevolg zou worden gegeven aan haar bevelen.
Op 8 augustus 2007 zond de ovj een brief aan de rechtbank met als bijlagen:
- de ontbrekende verklaring d.d. 13 maart 2006 van [getuige 1];
- de antwoordbrief van dezelfde datum naar aanleiding van brieven d.d. 29 juni, 2 juli en 25 juli 2007 van de mrs. Groeneveld (raadsvrouwe van verdachte [verdachte ]) en Van Ardenne (raadsman van verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4]);
- de brief van mr. Weski (raadsvrouwe van verdachte [medeverdachte 5]) d.d. 7 augustus 2007;
- de antwoordbrief van dezelfde datum naar aanleiding van laatstgenoemde brief van mr. Weski.
Op 19 oktober 2007, 14 december 2007 en 22 februari 2008 is [getuige 1] in “de Bunker” te Osdorp door de rechter-commissaris gehoord. Door diverse raadslieden zijn behalve vragen omtrent de schietpartij in Kerkrade en de criminele organisatie rondom “[Voornaam] uit Eindhoven” met name vragen gesteld omtrent eventuele afspraken met het openbaar ministerie en de positie van [getuige] als vreemdeling.
Nadat in de tussentijd het onderzoek van de rechter-commissaris was afgerond, plande de rechtbank de inhoudelijke behandeling van de zaak op 12, 13 en 14 mei 2009.
In de week vóór de inhoudelijke behandeling nam de griffier in opdracht van de rechtbank telefonisch contact op met de ovj waarbij de griffier veronderstelde dat het op 18 april 2007 aan de rechtbank gefaxte ambtsbericht inmiddels ook aan de raadslieden was gestuurd. De ovj antwoordde dat dat niet was gebeurd en dat dat ook niet zou gebeuren omdat de rechtbank dit bericht destijds direct na lezing zou hebben moeten vernietigen. De ovj voegde daaraan toe dat het openbaar ministerie ter zitting “niet moeilijk zou doen over de positie van [getuige 1]”.
De rechtbank heeft de zaak vervolgens op 12, 13 en 14 mei 2009 inhoudelijk behandeld.
Op 29 mei 2009 heeft de rechtbank het onderzoek voortgezet en onderbroken tot de zitting van 18 juni 2009 nu naar het oordeel van de rechtbank het openbaar ministerie ook tijdens de inhoudelijke behandeling onvoldoende openheid van zaken had gegeven omtrent de positie van [getuige 1]. Op 29 mei 2009 heeft de rechtbank richting het openbaar ministerie en de verdediging hierover een brief gefaxt.
Ter zitting d.d. 18 juni 2009 heeft de rechtbank definitief bepaald dat de e-mailwisseling tussen haar en het openbaar ministerie omtrent de onderhavige kwestie tot het dossier behoort en heeft zij het openbaar ministerie bevolen het ambtsbericht alsnog, zo nodig geschoond van informatie die de [getuige 1] of derden ook op dat moment nog in levensgevaar kon brengen, aan de verdediging ter hand te stellen. Het openbaar ministerie heeft tijdens de zitting aan dat bevel gevolg gegeven.
De zitting is onderbroken tot 9 juli 2009 teneinde de raadslieden in de gelegenheid te stellen het ambtsbericht te bestuderen en eventueel te bespreken met hun cliënten.
Tijdens de zittingen van 12, 13 en 14 mei, 18 juni, alsmede 9 juli 2009 heeft de verdediging op diverse gronden geconcludeerd tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Het openbaar ministerie heeft zich steeds daartegen verzet.

Oordeel rechtbank:

  

Het is een fundamenteel aspect van het recht op een eerlijk proces dat sprake is van “equality of arms”. Dit beginsel houdt in dat in de verschillende fasen van het strafproces, inclusief het onderzoek dat daaraan voorafgaat, de procespartijen een gelijkwaardige positie behoren in te nemen, zodat een ieder in staat wordt gesteld op adequate wijze zijn belangen te verdedigen. Een verdachte moet er bijgevolg blind op kunnen vertrouwen dat hij over dezelfde stukken beschikt als de rechtbank 

Uitspraak:

   De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot het oordeel dat sprake is van een opeenstapeling van verzuimen en onzorgvuldig handelen van de zijde van het openbaar ministerie waardoor de waarheidsvinding in het geding is gekomen en de verdediging op onherstelbare wijze in haar belangen is geschaad. Er is niet alleen sprake van handelen in strijd met de wet, maar ook van ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan.
Deze naar het oordeel van de rechtbank ernstige situatie wordt door het openbaar ministerie niet onderkend. De officieren van justitie hebben ter zitting volgehouden dat er door hen geen (noemenswaardige) fouten zijn gemaakt. Teneinde het openbaar ministerie te doordringen van de ernst van de situatie, kiest de rechtbank voor de zwaarst mogelijke sanctie, namelijk de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Vrijspraak door onrechtmatige doorzoeking

Feiten: 

Tijdens een doorzoeking zijn in de woning van verdachte harddrugs en munitie gevonden.  De officier van justitie eist veroordeling van verdachte in verband met het bezit van de in beslaggenomen goederen.  

Standpunt verdediging: 

De verdediging stelt vraagtekens bij de rechtmatigheid van de doorzoeking van de woning nu uit het dossier niet blijkt dat er voldaan is aan de wettelijke vereisten  voor het doorzoeken van woningen als geregeld in artikel 97 SV.  Dat artikel bepaalt immers dat (buiten spoed gevallen) de komst van de rechter- (commissaris) moet worden afgewacht en dat de doorzoeking onder zijn leiding en toezicht dient plaats te vinden. Een en ander  ter waarborging van de (privacy-) rechten van een  verdachte en het toezien op een zorgvuldige werkwijze.Als de komst van de rechter-commissaris op zich laat wachten dient de politie de plaats te “bevriezen” en vervolgens de komst van de onderzoeksrechter af te wachten. 

Oordeel Rechtbank: 

De rechtbank stelt op basis van het dossier het volgende vast:

1.     Op 24 januari om 14.10 uur is de politie de woning van verdachte binnengetreden op grond van een machtiging afgegeven door een (hulp) officier van justitie,

2.     Uit niets blijkt dat was voldaan aan de eisen verbonden aan een machtiging afgegeven door de rechter-commissaris op basis van artikel 97 SV,

3.     Uit het dossier blijkt verder dat op 15.40 uur de rechter-commissaris de woning heeft betreden en dat hij deze (slechts 5 minuten later !) weer op 15.45 uur heeft verlaten.

4.     In het verslag van de doorzoeking staat verder vermeld dat de doorzoeking “in het bijzijn van de rechter-commissaris” heeft plaatsgevonden. 

Afgaande op deze feiten overweegt de rechtbank het volgende:

Op grond van het voorgaande kan niet worden uitgesloten dat de verdovende middelen en de munitie zijn aangetroffen in het stadium van (zoekend) rondkijken na binnentreden om 14.10 uur.Verder overweegt de rechtbank dat uit niets blijkt dat de politie, toen zij om 14.10 uur de woning betraden , de situatie hebben bevroren om vervolgens de komst van de onderzoeksrechter af te wachten.  Alles wijst erop dat de politie volledig op eigen houtje de woning doorzocht heeft. 

Conclusie: 

De rechtbank heeft, bij de gang van zaken omtrent de doorzoeking,  zodanige twijfels omtrent de rechtmatigheid dat dit een onherstelbaar verzuim oplevert.Het oordeel van de rechtbank is vervolgens dat het bewijsmateriaal verkregen tijdens de onrechtmatige doorzoeking uitgesloten dient te worden. 

Vrijspraak.

Advocate:  Mr S.M.E. van Fraaijenhove te Breda. 

Email: fraaijenhove@lexionadvocaten.nl 

Vrijspraak voor cocaïne smokkel via Schiphol

Feiten: 

Nadat de verdachte zich gedurende enkele weken beschikbaar had gehouden voor A. om tegen betaling een klusje te doen, is hij op zaterdag 19 november 2005 in de loop van de middag in Den Haag gebeld met het verzoek naar Schiphol te gaan om op zoek te gaan naar een dame met een zwarte jas. Van haar zou de verdachte, volgens instructies, een koffer krijgen die hij in een locker moest stoppen, waarna hij het nummer van de locker aan A. moest doorgeven. De verdachte is daarop direct naar Schiphol gereden, heeft aldaar een vliegticket gekocht voor een vlucht nog diezelfde dag om 19:10 uur naar Zurich en heeft zich vervolgens naar de pier begeven, alwaar de verdachte op 19 november 2005 om 18:15 uur is aangehouden.Medeverdachte P.was op 19 november 2005 omstreeks 13:50 uur op Schiphol aangekomen en is om 14:45 uur gearresteerd. De pakketten met cocaïne zijn toen uit de handbagage van die P. verwijderd en inbeslaggenomen. Vervolgens heeft die P. met de Koninklijke Marechaussee meegewerkt om de persoon aan wie de cocaïne overhandigd zou worden, te kunnen aanhouden. Aanvankelijk betrof dit een persoon die zich telefonisch aan P. kenbaar maakte als iemand die bruin is, een zwarte pet op heeft, witte handschoenen aan heeft en een kar bij zich heeft. Even later wordt deze persoon zowel door die P. als door de Marechaussee gesignaleerd. Het contact tussen de twee mislukt echter. Om 16:10 uur ontvangt P. telefonisch het bericht dat iemand anders zal worden gestuurd om de koffer van haar in ontvangst te nemen. Die ander blijkt uiteindelijk de verdachte te zijn.

Oordeel Hof Amsterdam: 

Uit de omstandigheid dat aanvankelijk een ander persoon dan de verdachte de koffer van P. op Schiphol in ontvangst zou nemen, leidt het hof af dat de verdachte pas in een zeer laat stadium en onverwachts op 19 november 2005 het verzoek heeft gekregen naar Schiphol te gaan, zoals hierboven uiteengezet. De verklaring van de verdachte dat hij rond 17.00 uur werd gebeld is in dat licht bezien niet onaannemelijk. Dat betekent dat op het tijdstip dat met de verdachte contact werd opgenomen bij de inbeslagname alle pakketten cocaïne reeds uit de koffer waren verwijderd.
De door verdachte vervolgens verrichte handelingen die mogelijk verband hielden met de verlengde invoer van de cocaïne kunnen, nu die cocaïne volledig uit de koffer was verwijderd, niet meer leiden tot strafrechtelijke aansprakelijkheid.
Op grond van het bovenstaande is naar het oordeel van het hof niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Vrijspraak voor invoer van cocaïne uit Cuba.

Feiten: 

Volgens het Openbaar Ministerie is bewezen dat verdachte zich in de periode van 1 juni 2007 tot en met 4 september 2007 samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de invoer van cocaine uit Cuba. Verwezen wordt daarbij naar het feit dat een drugskoerier op Schiphol is aangehouden met een koffer met cocaïne en het feit dat deze persoon diverse belastende verklaringen over verdachte heeft afgelegd. Deze koerier heeft vervolgens de woning van verdachte aangewezen en verdachte is daarna aangehouden.De Officier van Justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot 40 maanden gevangenisstraf en heeft ter zitting aangekondigd voornemens te zijn het wederrechtelijk verkregen voordeel terug te vorderen. 

Oordeel Rechtbank:

De Rechtbank acht – in tegenstelling tot de Officier van Justitie – niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde feit heeft begaan. De Rechtbank overweegt  hieromtrent het volgende.De deelnemingsvorm medeplegen veronderstelt een bewuste samenwerking en een gezamenlijke uitvoering. Van een bewuste samenwerking is sprake wanneer de medeplegers willens en wetens, dus met opzet, samenwerken tot het verrichten van de strafbare gedraging. Lijfelijke aanwezigheid bij de uitvoering wordt niet vereist, zolang de samenwerking maar ‘nauw en volledig’ is.De Rechtbank is van oordeel dat noch aan de inhoud van het dossier noch aan het aan hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen kan worden ontleend dat verdachte de rol van medepleger van opzettelijke invoer van cocaïne heeft vervuld. De belastende verklaringen van medeverdacht J.B. vormen het enige directe bewijs van dit feit en het zou in strijd zijn met de unus testis nullus testis-regel (één verklaring vormt géén bewijs) indien verdachte enkel op grond van die verklaringen zou worden veroordeeld. 

Beslissing:

De Rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte is tenlaste gelegd. 

VRIJSPRAAK 

Advocate: E.P. Vroegh

www.mv-advocaten.nl 

Vrijspraak voor hennepkwekerij.

 

Feiten:

 Bij de Regionale Criminele Inlichtingen Eenheid (RCIE) van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost is in de periode augustus-september 2006 via een informant de volgende informatie binnengekomen:
Verdachte is in het bezit van een vuistvuurwapen. Hij bewaart dit wapen in zijn woning.
De politie heeft, na binnentreden,  geen vuurwapen aangetroffen, maar wel een hennepkwekerij, ten behoeve waarvan illegaal stroom werd afgenomen. Ter zake van de aanwezigheid van deze kwekerij en de diefstal van stroom is proces-verbaal tegen verdachte opgemaakt, hetgeen heeft geleid tot de onderhavige strafzaak.

Oordeel hof:  Het hof is van oordeel dat de RCIE-informatie onvoldoende concreet en niet genoegzaam getoetst is om op zichzelf de grondslag te kunnen vormen voor een verdenking als bedoeld in art. 49 Wet Wapens en Munitie. Het hof stelt vast dat – behoudens een adrestoetsing – geen nader onderzoek is verricht, teneinde de betrouwbaarheid van de informatie te toetsen. Voor dergelijk nader onderzoek was evenwel alle aanleiding, gelet op de omstandigheid dat de RCIE zelf had aangegeven geen oordeel over de betrouwbaarheid te kunnen geven. Het hof is van oordeel dat, bij gebreke van een voldoende verdenking, het binnentreden in de woning van verdachte door de politie onrechtmatig was. Nu het in de woning aangetroffen bewijsmateriaal door het verzuim is verkregen en naar het oordeel van het hof door de onrechtmatige bewijsgaring een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift en rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden, dient dat materiaal van het bewijs te worden uitgesloten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat door het onrechtmatig binnentreden het huisrecht van verdachte is geschonden. 

Conclusie: Bewijsuitsluiting wegens onrechtmatig binnentreden.

Vrijspraak.

Vrijspraak voor cocaïne export naar Spanje.

Feiten:

Volgens het Openbaar Ministerie is bewezen dat verdachte zich in de periode van 1 januari 2006 tot en met 23 april 2007 samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan uitvoer van cocaïne naar Spanje. Verwezen wordt daarbij naar afgetapte telefoongesprekken, observaties, de verklaring van verdachte en het feit dat een medeverdachte op 23 april 2007 is aangehouden in een, volgens de officier van justitie voor drugsvervoer, geprepareerde auto.
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld tot 4 jaar gevangenisstraf .
 

Oordeel rechtbank:

De rechtbank overweegt het volgende. In het onderliggende dossier bevindt zich een groot aantal telefoontapverslagen en observatieverslagen over een periode van enkele weken. Uit de tapverslagen blijkt dat verdachte en zijn medeverdachte onderling veelvuldig en met versluierd taalgebruik praten over handel in bepaalde zaken, die niet expliciet worden genoemd, maar waarvoor zij wisselende termen gebruiken. Zo wordt onder andere gesproken over spul dat moet worden betaald en gebracht, hoeveelheden en monsters. Een en ander rechtvaardigt het vermoeden dat verdachte zich bezig hield met handel in verdovende middelen, maar niet met zekerheid valt vast te stellen dat wordt gesproken over handel in cocaïne. Uit de observaties blijkt dat verdachte en medeverdachte elkaar meermalen hebben getroffen, maar met welk doel dit was valt eveneens niet vast te stellen.
Verdachte heeft verklaard dat medeverdachte  in auto’s handelde en dat hij in dat kader wel vaker voor medeverdachte met een auto naar Spanje reed. Op een gegeven moment zou hij van ene X. hebben gehoord dat er cocaïne verstopt zat in deze auto’s. Onderzoek om deze X.  te vinden en onderzoek in Spanje om de lezing van verdachte na te trekken, heeft niets opgeleverd. Ook is, op een klein spoor in de auto waarin medeverdachte werd aangehouden na, op geen enkel moment daadwerkelijk cocaïne aangetroffen bij verdachte of medeverdachte . De rechtbank acht het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen en zal verdachte daarom vrijspreken.

De bewijsbeslissing.
 

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte is tenlastegelegd.

Vrijspraak. 

Advocaat: A.S. van der Biezen
 www.strafrechtspecialist.com

Vrijspraak na vervolging voor nep-drugs.

Litouwse student 

In de zomer van 2007 bezocht ik op het detentiecentrum Schiphol een Litouwse student, genaamd  Marius. Op het bevel inverzekeringstelling las ik dat justitie Marius verdacht van medeplegen van uitvoeren van een hoeveelheid MDMA of amfetamine.   Tijdens mijn bezoek in het detentiecentrum vertelde cliënt mij dat hij samen met een studievriend een paar dagen op bezoek was geweest in Amsterdam. In de hoofdstad hadden ze enkele dagen flink gefeest, geblowd en gedronken, kortom ze hadden zich uitstekend vermaakt. Op de dag voor hun uiteindelijke aanhouding werden Marius en zijn vriend in de buurt van het Leidseplein benaderd door een onbekende man om voor een relatief kleine beloning 20 kilogram voedingssupplementen van Amsterdam naar Spanje te brengen.  Een dubieus aanbod, zo vonden ook Marius en zijn vriend, en zij besloten door middel van een vrij onorthodoxe methode vast te stellen of de supplementen toevallig drugs waren. Na van het goedje te hebben geproefd en geen enkele verandering in hun doen en laten te hebben bemerkt trokken Marius en zijn vriend de conclusie dat het in ieder geval geen drugs konden zijn. De volgende dag reisden de jongens af naar Schiphol waar ze naar aanleiding van een anonieme tip werden gearresteerd en nu zat Marius, in afwachting van zijn voorgeleiding bij de rechter-commissaris, voor mij.   De rechter-commissaris stelde Marius met name op basis van de uitslag van het voorlopige laboratoriumrapport in bewaring en anderhalve week later beval de raadkamer van de rechtbank de gevangenhouding voor negentig dagen. Enige dagen later werd ik gebeld door de Officier van Justitie met een voor cliënt verheugende mededeling. De aangetroffen zakken poeder bleken in ieder geval geen MDMA of amfetamine te bevatten, maar -zo bleek uit het laboratoriumrapport- 10 kilogram van een mengsel van cafeïne-paracetamol en 10 kilogram fenacetine, van oudsher een pijnstillend geneesmiddel.  De officier van justitie deelde mij mede dat de verdenking van medeplegen van uitvoer van drugs liet vallen, maar dat cliënt er nu van verdacht werd dat hij voorbereidingshandelingen had getroffen om cocaïne en/of heroïne te bereiden en te bewerken, aangezien de aangetroffen poeders vaak als versnijdingsmiddelen voor die drugs worden gebruikt. Op 25 september kwam Marius eindelijk voor de meervoudige strafkamer van de Rechtbank in Haarlem. De verdediging heeft tijdens de behandeling van de zaak onder andere betoogd dat de bestemming van de aangetroffen poeders niet was vast te stellen en  dat cliënt überhaupt geen enkele wetenschap had van de bestemming van deze poeders, ook niet in de zin van voorwaardelijk opzet. 

De rechtbank verwierp het eerste verweer, maar overwoog met betrekking tot het tweede verweer als volgt: 

De vraag is of verdachte, door de stoffen… mee te nemen, willens en weten de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij versnijdingsmiddelen meenam danwel redelijkerwijs moest vermoeden dat hij dit deed. De rechtbank is van oordeel dat verdachte op zijn minst reden had om te vermoeden dat hij iets illegaals meenam. Echter gelet op het feit dat er -buiten drugs- vele mogelijke illegale stoffen zijn dit vanuit Nederland worden uitgevoerd (bijvoorbeeld doping) en het gegeven dat in dit concrete geval geen aanknopingspunten zijn te vinden waaruit verdachte had moeten afleiden dat het mogelijk om versnijdingsmiddelen voor drugs zou gaan, acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard, danwel redelijkerwijs had moeten vermoeden dat hij stoffen met zich voerde die bestemd waren voor het bereiden en bewerken van heroïne of cocaïne. Het voorgaande houdt in dat verdachte van het hem tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. 

Ten tijde van de uitspraak zat Marius alweer in zijn geboorteland. Drie dagen na de terechtzitting had de rechtbank hem al vervroegd vrijgelaten. 

Advocaat: Mr. B.J.W. Tijkotte

 meslandvroegh

ADRES

Nieuwe Gracht 5a, 2011 NB Haarlem
TEL 023-5512232
FAX 023-5513232
E-MAIL info@mv-advocaten.nl
SITE www.mv-advocaten.nl

Vrijspraak voor handel en kweek van hennep (art.140Sr.)

De rechtbank overwoog in deze  zaak dat de officier van justitie de mening was toegedaan dat verdachte deel uitmaakte van een criminele organisatie die zich bezig hield met het runnen van een hennep kwekerij in Marbella in Spanje.

Op basis van tapverslagen en observatie’s was de officier van justitie van mening dat bewezen kon worden dat verdachte als medepleger van het telen en runnen van de kwekerij gezien kon worden.

Het OM eiste een gevangenisstraf van 18 maanden.

Standpunt Rechtbank:

” De rechtbank stelt op basis van taps- opname vertrouwelijke gesprekken en observaties vast dat verdachte handelingen heeft verricht bij de opbouw van de kwekerij die is aangetroffen te Marbella.

Het verrichten van opbouwwerkzaamheden ten behoeve van een hennepkwekerij moet naar het oordeel van de rechtbank wel als een strafbaar feit worden aangemerkt.

Dit kan echter niet worden gezien als een zodanige vorm van een bewuste en nauwe samenwerking ten aanzien van het telen van hennep in deze kwekerij , dat sprake is van medeplegen.

Wel is sprake van medeplichtigheid hieraan, maar dit is niet tenlastegelegd.

Verdachte zal worden vrijgesproken van de kwekerij in Marbella”.

Advocaat: A.S. van der Biezen
Email: www.strafrechtspecialist.com