Zaken geëindigd zonder straf of maatregel? Mail de redactie!

Vrijspraak voor auto inbraken

Feiten: 

Verdachte zou samen met een ander op 19 oktober 2006 in Amsterdam een poging hebben ondernomen om in een auto in te breken om daaruit geld of goederen te stelen. Verdachte en zijn mededader zouden naar een auto toe zijn gelopen en vervolgens om die auto heen hebben gelopen. Vervolgens zouden ze in de auto hebben gekeken, handschoenen hebben aangetrokken en aan de auto hebben gezeten. 

Op 2 november 2006 veroordeeld de politierechter in Amsterdam verdachte tot 2 weken gevangenisstraf en een taakstraf van 80 uur.  In hoger beroep eist het openbaar ministerie 2 maanden gevangenisstraf. 

Oordeel gerechtshof: 

Uit de stukken in het dossier volgt dat de gedragingen van verdachte op 19 oktober 2006, zoals die door de politie zijn waargenomen , vragen oproepen over hetgeen verdachte van plan is geweest.  Het om de auto heenlopen, handschoenen aantrekken en aan de auto zitten of voelen leveren echter nog géén begin van een (poging tot) diefstal met braak op. 

Vrijspraak. 

Vrijspraak voor gewapende overvallen.

 Feiten.

Uit de bewijsmiddelen kan weliswaar afgeleid worden dat verdachte zich circa 45 minuten voor de overval en rond het tijdstip van de overval op de Pettelaarseweg te s’-Hertogenbosch heeft opgehouden, doch diens enkele aanwezigheid aldaar op die tijdstippen acht de rechtbank in het onderhavige geval onvoldoende om hem zonder gerede twijfel aan te merken als de overvaller van winkel X.

Daarvoor bevat het procesdossier naar het oordeel van de rechtbank te veel ongerijmdheden. Immers, daar waar aangeefster en getuige 1 uitdrukkelijk verklaren dat de overvaller een zwarte broek droeg, stelt de rechtbank vast dat de betrokken persoon op de prints van de camera van de pinautomaat van de ABN-AMRO een lichtkleurige broek draagt. Daarbij komt dat aangeefster en een getuige verdachte tijdens een meervoudige fotoconfrontatie uitdrukkelijk niet hebben herkend als zijnde de overvaller, terwijl de overvaller zijn gezicht gedurende de overval niet had bedekt en zij de gelaatstrekken van de overvaller goed moeten hebben kunnen waarnemen. Evenmin wordt verdachte door getuige 2 tijdens een meervoudige fotoconfrontatie herkend als de persoon waarover hij
heeft verklaard. Voorts stelt de rechtbank vast dat de betrokken persoon op genoemde prints een kapsel heeft met warrige plukjes haar aan de voorzijde en relatief kort geknipte haren aan de achterzijde, terwijl aangeefster en de getuigen verklaren over een persoon met een sluik, glad en netjes/keurig kapsel met halflang haar.
Tot slot is het opvallend dat de aangetroffen dactyloscopische sporen op de kartonnen doos die de overvaller in zijn handen heeft gehad en die ruim een uur na de overval is veilig-gesteld en bemonsterd, geen overeenkomsten vertonen met de vingerafdrukken van verdachte.

Oordeel rechtbank. 

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank niet overtuigend bewezen dat verdachte
de overvaller is geweest. De enkele inhoud van een getuigenverklaring van horen zeggen doet daaraan naar het oordeel van de rechtbank in onvoldoende mate af.
Deze getuige verklaart weliswaar dat verdachte aan haar zou hebben verteld dat hij een overval met een pistool op een drankenwinkel op Zuid had gepleegd, doch zij verklaart daarin tevens dat verdachte bij deze overval een sjaal om zou hebben gehad die tijdens de overval afviel. De rechtbank stelt vast dat aangeefster omtrent dit specifieke en opvallende detail niets verklaart.

Feit 2
Verdachte beroept zich op zijn zwijgrecht omtrent zijn betrokkenheid bij de overval op winkel Y.
Ter zitting zijn de camerabeelden van de onderhavige overval afgespeeld. Hierbij heeft de rechtbank slechts enige gelijkenis tussen de overvaller en verdachte waargenomen. Anders dan verbalisanten is de rechtbank er dan ook niet van overtuigd dat de overvaller op de afgespeelde beelden dezelfde persoon betreft als verdachte.
De rechtbank wordt in haar oordeel gesterkt door de resultaten van de meervoudige foto-confrontatie waarbij aangeefster verdachte niet uitdrukkelijk herkent als de overvaller, terwijl zij de gelaatstrekken van de overvaller goed moet hebben kunnen waarnemen. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank niet overtuigend bewezen
dat verdachte de overvaller is geweest.