Zaken geëindigd zonder straf of maatregel? Mail de redactie!

Rechtbank verbiedt vervolging wegens uitlokking tot doodslag.

Feiten:

 17 juli 2008

In de Limburgse plaats Brunssum zijn bij een steekpartij twee doden gevallen.

Politiebureau

De politie heeft drie mensen opgepakt. Het incident vond plaats tegenover het politiebureau. Politie en ambulancepersoneel waren dus snel ter plaatse, en probeerden de slachtoffers te reanimeren. Maar dat mocht niet meer baten.

Toedracht

De toedracht van de steekpartij is nog onbekend. Volgens getuigen zou het gaan om een familiedrama. De politie wil dat echter nog niet bevestigen. Twee van de daders komen uit Brunssum, de andere komt uit Schinveld. 

Procesgang:

De Verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het hoogst onaannemelijk is dat een veroordeling zal volgen voor zowel het aan verdachte (broer van overleden slachtoffer)  primair (uitlokking doodslag) als subsidiair (openlijke geweldpleging) ten last gelegde feit.

Oordeel Rechtbank:

De raadkamer is met de verdediging en de officier van justitie van oordeel dat het hoogst onaannemelijk is dat de rechtbank , later oordelend , op basis van het door de officier van justitie geleverde bewijs het primair ten laste gelegde feit geheel of gedeeltelijk bewezen zal kunnen achten. Uit de zich in het dossier bevindende onderzoeksresultaten, deze marginaal toetsend, valt op geen enkele wijze af te leiden hoe verdachte, ook in voorwaardelijke zin, het opzet op de levensberoving van zijn broer , W.H. , en zijn vriend, T.J. , gehad zou kunnen hebben.

Beslissing:

Stelt verdachte voor dit feit buiten vervolging.

Meer info:

www.kuijpersvanderbiezen.nl

Vrijspraak in drievoudige moordzaak Rosiek

Feiten: 

Deborah Rosiek en haar ongeboren tweeling worden vermist sinds 18 juni 2003. Het Openbaar Ministerie had een gevangenisstraf van vijf jaar geëist wegens  moord cq doodslag op de vermiste D. Rosiek en haar ongeboren tweeling. 

Oordeel rechtbank omtrent optreden OM:  

De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak in de eindfase het opsporingsonderzoek te ver is doorgeschoten richting verdachte en dat hij hierdoor in zijn belangen is geschaad.
De rechtbank oordeelt dan ook dat het OM, na afweging van alle betrokken belangen, in redelijkheid niet - want disproportioneel - tot (verdere) toepassing van dwangmiddelen jegens verdachte had kunnen besluiten (te denken valt aan de taps die doorliepen tot 3 mei 2008, alsmede de opnamen van vertrouwelijke gesprekken in januari en maart 2008 in het kader van de undercover-operatie). Daar doet niet aan af dat voor elke individuele actie een machtiging van de rechter-commissaris was verkregen. De officier van justitie is degene die het overzicht heeft over het totale onderzoek en daar de verantwoordelijkheid voor draagt.

Conclusie: 

Op grond van al het voorgaande acht de rechtbank de sanctie van niet-ontvankelijkheid in de strafvervolging van het OM te zwaar en derhalve niet passend. Het ligt naar het oordeel van de rechtbank het meest voor de hand dat de resultaten van het onderzoek na mei 2007 die door het verzuim zijn verkregen, niet mogen bijdragen aan het bewijs van het telastegelegde, ware het niet dat in die periode geen bewijs jegens verdachte is vergaard. Derhalve dient voornoemd vormverzuim, ter compensatie van verdachte, ingeval van een veroordeling, tot strafvermindering te leiden. 

Oordeel rechtbank omtrent het bewijs:

Ervan afgezien dat niet buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat Rosiek en haar indertijd ongeboren tweeling zijn overleden, is er voor de strafrechtelijke betrokkenheid van verdachte bij dat overlijden onvoldoende wettig en zeker ook onvoldoende overtuigend bewijs. Om te beginnen dienen de verklaringen van getuige [getuige 1] als volstrekt onbetrouwbaar en derhalve onbruikbaar voor het bewijs terzijde te worden gesteld.  Uit het zeer uitgebreide onderzoek komt dan ook feitelijk als enig hard bewijs naar voren de in de kelderbox van verdachte gevonden bloedsporen met het DNA profiel van Rosiek.De ouderdom van de bloedvlekken kon niet worden vastgesteld. Evenmin kon worden vastgesteld dat het bloed van een zwangere Rosiek afkomstig was. In de boxgangen zijn geen sporen van Rosiek aangetroffen.Naar het oordeel van de rechtbank is het ontoelaatbaar speculatief om op basis van drie relatief geringe bloedsporen van Rosiek, waarvan de ouderdom niet is komen vast te staan, en waaruit geen duidelijke toedracht van de gebeurtenissen is af te leiden, te concluderen tot enig handelen of nalaten van verdachte in de avond en nacht van 17 op 18 juni 2003 met als gevolg het veroorzaken van pijn, letsel en uiteindelijk het overlijden van Rosiek, laat staan het verbergen van het lijk van Rosiek en haar ongeboren tweeling. Anders dan de officieren van justitie is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van verdachte dat hij niet weet hoe de sporen daar komen niet mede als bewijs kan dienen. Op zich kan een kennelijk leugenachtige verklaring bijdragen aan het bewijs, maar de enkele verklaring de aanwezigheid van de sporen niet te kunnen verklaren voldoet niet aan de aan een dergelijke verklaring te stellen eisen.
Datzelfde oordeel treft de overige door de officieren van justitie als (steun)bewijs aangevoerde inconsistenties in de verklaringen van verdachte (met name betreffende zijn laatste ontmoeting met Rosiek voor haar verdwijning). Deze nemen nergens de gedaante aan van een kennelijk leugenachtige verklaring. Daarvoor waren ze of te onbelangrijk, of kon het tegendeel niet vastgesteld worden, of lieten ze zich eenvoudig op een ander manier verklaren.
Overige bewijzen zijn er niet.

Vrijspraak. 

Advocaat: Mr A.S. van der Biezen te ’s-Hertogenbosch.

Email: avdbiezen@email.com 

Vrijspraak voor dubbele moord

Feiten: 
Verdachte is met een vriend  in november 2001 naar Brazilie  gegaan om daar een partij cocaïne te kopen.  Via de connecties van verdachte zijn zij in Santos, Brazilie, in contact gekomen met J. en zijn er afspraken gemaakt omtrent de levering van cocaïne.
In januari/februari 2002 komt J.  met vriend S.  in Nederland aan.
J. neemt contact op met verdachte en er worden afspraken gemaakt over de betaling aan de transporteurs en over de betaling van de 20 kilo cocaïne. De cocaïne zal in Belgie worden gelost en vervolgens naar Nederland worden vervoerd. In opdracht van J. vertrekken op 21 februari 2002 verdachte en twee vrienden met de twee Brazilianen vanuit Amsterdam naar Belgie  om de drugs op te halen.
In Belgie  bleek maar een deel van de cocaïne overgedragen te kunnen worden. Verdachte en consorten keren terug naar Amsterdam en laten de twee Brazilianen achter om op de rest van de drugs te wachten.
Terug in Amsterdam blijkt dat een vriend van verdachte  is gevlucht met een gedeelte van de geleverde drugs.
Verdachte wordt door J. gebeld. Verdachte stelt J. gerust. Ook zegt verdachte dat er twee mannen onderweg zijn om hen en de resterende kilo’s op te halen.
Op de terugweg zijn de Brazilianen in Nederland doodgeschoten met een pistool en in de berm van de A-12 achtergelaten.
Verdachte heeft in de ochtend van 22 februari 2002 om 09.25 uur eenmalig telefonisch contact gezocht met het toestel van J.
De ochtend na de moord rijdt verdachte met twee vrienden door Amsterdam om de auto te zoeken waarmee de vorige dag op en neer naar Belgie is gereden. In de auto waren sporen aanwezig van de schietpartij de nacht ervoor. De auto wordt gevonden en wordt, in afwezigheid van verdachte, in diens eigen garage schoongemaakt.

Oordeel Hof: 

Het hof overweegt als volgt.Een vriend van verdachte (genaamd Z.)  heeft in verschillende verklaringen verklaard dat hij en verdachte samen het moordplan hebben bedacht. De verklaringen van deze Z. acht het hof niet overtuigend. Z.  staat in zijn beschuldiging van verdachte alleen. Weliswaar heeft ook Y. een verklaring afgelegd over de vermeende betrokkenheid van verdachte bij de dubbele moord, maar deze wetenschap is enkel gebaseerd op mededelingen van eerder genoemde Z. . Voorts zijn de verklaringen van Z. niet geloofwaardig met betrekking tot het motief van de moord. Zowel Z. als Y. heeft verklaard dat het achterliggende motief van de moord zou zijn het uitwissen van sporen die naar verdachte zouden leiden. Het hof acht dit niet geloofwaardig nu de contacten in Brazilie via verdachte liepen en verdachtes naam en telefoonnummer bij de betrokken Brazilianen bekend was. Ook het motief dat verdachte in geldnood verkeerde snijdt geen hout nu verdachte heeft verklaard dat hij een koper had voor een deel (14 kilo) van de geleverde cocaïne. Daarnaast blijkt uit de printgegevens van de telefoon van een van de gedode slachtoffers dat verdachte de ochtend na de moord nog geprobeerd heeft hem te bellen. Ook deze belpoging past naar het oordeel van het hof niet bij de wetenschap vooraf van verdachte van de gepleegde moorden. Zowel verdachte als zijn vriend heeft verklaard dat verdachte na de moord met anderen door Amsterdam heeft gereden om een auto op te zoeken. Nadat de auto is gevonden is deze door schoongemaakt in een garage van verdachte. Het hof overweegt hieromtrent dat deze handelwijze niet uitsluit dat verdachte toen (achteraf) op de hoogte was van het feit dat er iets gebeurd zou zijn met de twee Brazilianen, maar het zegt ook niet meer dan dat.
Het hof merkt tenslotte op dat de ronduit knullige manier waarop de moorden zijn gepleegd niet duidt op een tevoren beraamd plan.

Eis Advocaat-Generaal:  Levenslang voor het plegen van een dubbele moord. 

Uitspraak Hof: 

Steunbewijs past ook in alternatief scenario.  

Vrijspraak voor moord.  Veroordeling tot 7 jaar voor de handel in harddrugs.

Lucia de B. vrijgelaten

Feiten:

Lucia de B. werd in 2006 tot levenslang veroordeeld voor de moord op zeven ziekenhuispatiënten. Een belangrijk onderdeel van de bewijsvoering die tot haar veroordeling leidde, was de hoeveelheid digoxine in het lichaam van een half jaar oude baby. De baby zou door vergiftiging met het hartmedicijn om het leven zijn gekomen. Maar volgens hoogleraar Jan Meulenbelt, de internist-toxicoloog die het recente onderzoek uitvoerde, is „een natuurlijke doodsoorzaak” van het meisje het meest waarschijnlijk: uitputting als gevolg van zuurstoftekort. Dit patroon van vergiftigingen (Modus Operandi) werd, in navolging van de moord op baby X., door het Hof bij meerdere overlijdensvoorvallen bewezen geacht (schakelbewijs).  

Nieuw deskundigen onderzoek: 

Op 25 oktober 2007 kwam het rapport uit van het driemanschap van de Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken (Ceas) in de zaak Lucia de B. In dit rapport werden “relevante verschillen van wetenschappelijk inzicht” geconstateerd en werd, met een beroep op een door het driemanschap ontvangen schrijven van prof. G. Koren uit Canada, geoordeeld dat sprake was van een novum. Dit novum had betrekking op de door het Haagse Gerechtshof bewezenverklaarde moord op de baby X. Het driemanschap adviseerde tevens om onderzoek te doen naar de vraag of en in hoeverre in de periode voordat mevr. De B. op de desbetreffende afdeling van het Juliana Kinderziekenhuis werkte, sprake was van “suspecte” sterfgevallen. De achterliggende vraag was of de medisch onverklaarbare sterfgevallen die zich voordeden in de periode waarin mevr. De B. op de afdeling werkte, werkelijk een afwijking van het normale patroon vormden  Bij het nieuwe onderzoek ging het om de volgende twee punten. In de eerste plaats om een feitenonderzoek naar het tijdpad voorafgaande aan het overlijden van het betrokken patiëntje. Dit onderzoek was gericht op de vraag of het oordeel van het Haagse Hof juist kon zijn dat de digoxine was toegediend tussen 01.16 uur en 01.46 uur, gedurende een tijdvak waarin de monitor volgens het Hof om duistere redenen had uitgestaan. Het ging bij de uitbreiding van het onderzoek in de tweede plaats om een integrale en multidisciplinaire herbeoordeling door een onafhankelijke deskundige van de vraag of een acute digoxinevergiftiging inderdaad de doodsoorzaak is geweest.   Dat voorlopige oordeel houdt in dat er in elk geval ten aanzien van de bewezenverklaarde moord op de baby X. ernstige reden is om aan de juistheid van de veroordeling te twijfelen.  De belangrijkste bevindingen kort op een rij. 1. Prof. M. oordeelt dat het overlijden van het betrokken kindje verklaard kan worden uit de ziektegeschiedenis. Hij acht uitputting als gevolg van zuurstoftekort als natuurlijke doodsoorzaak waarschijnlijk. Dat oordeel vindt onder meer steun in de trend graphs. Daaruit blijkt in de eerste plaats dat, anders dan het Hof aannam, eerst de ademhaling stopte en pas daarna de hartactie. Dat past bij de door prof. M.genoemde natuurlijke doodsoorzaak. Dat past minder goed bij een acute digoxinevergiftiging als doodsoorzaak.  2. Uit de trend graphs blijkt in de tweede plaats dat de zuurstofsaturatie die bewuste nacht diverse keren onder de 90% daalde. Ook dat past bij de genoemde natuurlijke doodsoorzaak. Tevens volgt daaruit dat de verslaglegging door Lucia De B. niet bezijden de waarheid was, althans niet zo ver als het Hof haar heeft tegengeworpen. Dat het betrokken kindje door uitputting is overleden, is in elk geval een reële mogelijkheid.   Een andere conclusie die uit het nadere onderzoek naar voren kwam is dat geen betrouwbare uitspraken kunnen worden gedaan over de digoxineconcentratie in het bloed ten tijde van het overlijden van de baby. En dat betekent weer dat het bewijs van een digoxinevergiftiging als doodsoorzaak moeilijk is te leveren.   

Aantreffen Digoxine:      Digoxine in de orgaanweefsels kan namelijk op zichzelf geen kwaad. Alleen als sprake is geweest van een hoge concentratie digoxine in het bloed in een betrekkelijk korte periode direct voorafgaand aan het overlijden, kan digoxinevergiftiging de doodsoorzaak zijn geweest.  Vanwege het cruciale belang van dit punt  is het oordeel van prof. M. voor een second opinion voorgelegd aan prof. Tytgat. Deze heeft het oordeel en de daaraan ten grondslag liggende argumentatie op dit punt volledig onderschreven.  Naar het oordeel van prof. M. kan op grond van de in de orgaanweefsels aangetroffen digoxineconcentratie niet de conclusie worden getrokken dat een acute digoxinevergiftiging de doodsoorzaak is geweest. Daarvoor zijn die concentraties niet hoog genoeg.  De trend graph laat tot aan het moment waarop de crisis intrad (om 02.46 uur) een strak hartritme zien. Dat past niet bij een digoxinetoediening die, zoals het Hof oordeelde, een uur of anderhalf daarvoor plaatshad. Dan namelijk zou men volgens prof. M. al vrij snel hartritmestoornissen hebben moeten constateren.  Conclusies:  De bevindingen van prof. M. op essentiële punten niet zijn te rijmen met het bewijsoordeel van het Hof.  Minister van justitie Hirsch Ballin en staatssecretaris Albayrak hebben besloten de levenslange gevangenisstraf van Lucia de B. voor ten minste drie maanden te onderbreken.  

Vrijspraak voor brandstichting na eis van 10 jaar.

Feiten: 

In het dossier bevinden zich diverse processen-verbaal waarin de verhoren van de verdachte op schrift zijn weergegeven. Deze verhoren zijn tevens vastgelegd op DVD. Het hof heeft delen uit deze DVD’s bekeken. Verder zijn alle op DVD opgenomen verhoren woordelijk uitgeschreven.
Ten aanzien van de verhoren van de verdachte is het volgende gebleken.
De verdachte is verspreid over een vijftal dagen twaalfmaal verhoord. Tijdens de verhoren hebben de verbalisanten veelvuldig gebruik gemaakt van suggestieve en sturende vraagstellingen. Zo werd het onderwerp ‘benzine’ ter sprake gebracht door de verdachte op 11 januari 2006. Aan de verdachte werd gevraagd wat hij bij Karwei had gekocht. Het antwoord van de verdachte was dat hij alleen lampjes had gekocht. Vervolgens werd gevraagd of de verdachte zeker wist dat hij geen brandbare middelen had gekocht. De verdachte ontkende en voerde toen aan zeker geen benzine te hebben gekocht. De reactie hierop van de verhorende verbalisanten was dat dit daderkennis was.
Verder is door de verbalisanten herhaaldelijk op een bijkans manipulatieve wijze benadrukt dat de verdachte psychisch ziek zou zijn. Zo hield een van de verbalisanten de verdachte, nadat deze zich vertwijfeld had afgevraagd waarom hij het gedaan zou hebben, voor: “omdat je ziek bent”.

Oordeel Hof: 

Het hof acht de hiervoor omschreven wijze van verhoor ongeoorloofd en in strijd met het pressieverbod zoals dit is neergelegd in artikel 29, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Evenwel is naar het oordeel van het hof geen sprake van een ernstige schending van beginselen van een goede procesorde, waarbij doelbewust tekort is gedaan aan het recht van de verdachte op een behoorlijke behandeling van zijn zaak.

Dit brengt mee dat de verklaringen van verdachte moeten worden aangemerkt als niet in vrijheid afgelegd. Nu verdachte zowel bij de politie als ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep stellig heeft ontkend, acht het hof de verklaringen bij de politie, voor zover deze als bekennend kunnen worden geduid, onvoldoende betrouwbaar.
Ander bewijsmateriaal waaruit de directe betrokkenheid van de verdachte volgt, heeft het hof niet aangetroffen.

 

Vrijspraak

Geen straf voor agent die buurtbewoner doodschoot.

Feiten: 

De motoragent die vorig jaar een 54-jarige inwoner van de Utrechtse wijk Ondiep doodschoot, wordt niet vervolgd. Volgens het Openbaar Ministerie handelde de agent uit noodweer. Het schietincident was de aanleiding voor dagenlange rellen in de wijk. De doodgeschoten man bedreigde op 11 maart 2007 de agent met een mes, na een vechtpartij tussen buurtbewoners en jongeren. Hij negeerde de oproep van de agent om het mes te laten vallen. Toen de man de agent – die op dat moment nog op zijn motor zat – tot ongeveer een meter was genaderd, loste de agent het dodelijke schot. De agent verklaarde dat hij zo lang had gewacht met schieten tot hij ervan uitging dat hij neergestoken zou worden. Uit het onderzoek van de Rijksrecherche blijkt dat de enigen die getuigen zijn geweest van het schietincident de twee agenten zijn geweest die naar de vechtpartij waren gekomen. De andere getuigen waren wel dichtbij maar hebben zelf niets gezien. Uit het forensisch onderzoek blijkt dat er één keer is geschoten, het slachtoffer  door dit schot is overleden, dat de schootsafstand een halve tot anderhalve meter was en dat het slachtoffer het mes waarmee de agent is bedreigd in zijn handen heeft gehad.

Beslissing:

Het OM concludeert nu dat er in de gegeven omstandigheden geen andere mogelijkheid was dan te schieten. De agent handelde volgens het OM uit noodweer zodat de zaak tegen hem  nu geseponeerd wordt. 

Vrijspraak voor moord op twee kinderen

Toelichting raadsvrouwe van Kim V.

De behandeling van de strafzaak van Kim V. , de 22-jarige Purmerendse die verdacht werd van de moord op haar twee kinderen, nam ik medio januari 2007 over van de piketadvocaat. Toen ik het dossier op kantoor bezorgd kreeg, dacht ik wat raar, slechts twee ordners in een dubbele moordzaak? De kwantiteit van het onderzoek was niet het enige dat summier was; wat veel ernstiger was voor mijn cliente was het gegeven dat er naar mijn mening in het geheel niet gesproken kon worden over een kwalitatief goed onderzoek. Cliente werd van het begin af aan bestempeld als een jonge moeder die de opvoeding van haar twee kinderen niet aankon en ze om die reden vermoord zou hebben. De verdediging heeft die gedachtesprong nooit kunnen en willen maken. Daarom ben ik op zoek gegaan naar aanwijzingen dat niet cliente maar een ander de kinderen zou hebben vermoord. Ik hoefde gelukkig niet ver te gaan want die twee ordners stonden immers op mijn bureau!Kim heeft altijd ontkend, heel stellig, en verwees naar ene Bennie en diverse malen zowel bij politie als bij haar voorgeleiding bij de rechter-commissaris het verband aangegeven tussen Bennie en het drugsmilieu waar de ex-vriend van Kim actief zou zijn. Je zou er als burger in een rechtsstaat op mogen vertrouwen dat de politie dit scenario uitgebreid zou hebben onderzocht immers men had te maken met een moeder die beschuldigd werd van het ergste wat je een moeder kan verwijten, namelijk opzettelijk je kinderen om het leven brengen. Maar in het dossier was nauwelijks een spoor te vinden van enig onderzoek in een andere richting dan de politie reeds van het begin af voor ogen heeft gestaan, namelijk dat dit het zoveelste familiedrama was. Zelfs het aanbod van Kim om een compositietekening te maken werd door de behandelende onderzoeksrechter (rechter-commissaris), de zaaksofficier en haar toenmalige raadsman volledig genegeerd. Op het eerste gezicht leek het of er een uitgebreid technisch onderzoek was verricht door het NFI. Maar dat was schone schijn; in de woning en op Kim en haar kinderen was DNA van een onbekend man aangetroffen. Niemand sloeg op dit gegeven aan hoewel dit DNA van het allergrootste belang was, het paste namelijk in het door Kim geschetste verhaal. Op mijn vraag aan de Officier waarom dit DNA niet was onderzocht en zelfs niet was weggezet in de DNA-databank van Justitie kreeg ik het antwoord dat het toch ook DNA van bijvoorbeeld de opa van de kinderen of huidige vriend van Kim zou kunnen zijn. Ja die mogelijkheid bestaat inderdaad maar kun je alleen als vaststaand gegeven aanmerken op het moment dat de DNA profielen van bekende en niet betrokken mannelijke personen wordt onderzocht. Als je als verdachte of als advocaat nieuw technisch onderzoek wil laten doen, kun je in Nederland op dit moment slechts bij een instituut terecht en dat is het IFS in Nunspeet. Je kunt natuurlijk ook via de onderzoeksrechter of Officier van Justitie nieuw onderzoek laten verrichten door het NFI maar dat is of je een slager zijn eigen vlees laat keuren. Een ander punt om niet voor het NFI te kiezen, is de ervaring dat dit door justitie bekostigde onderzoekscentrum niet op zoek is naar de waarheidsvinding maar naar onderbouwing van de stellingen van de politie. Dit betekent wel dat je als verdachte of als advocaat zelf de kosten van een nieuw onderzoek moet betalen hetgeen aardig in de papieren kan lopen. Ik heb daar wel voor gekozen en aan de hand van de door ing. Richard Eikelenboom opgestelde contra-rapportage heb ik in februari de rechtbank overtuigd dat er een geheel nieuw technisch onderzoek diende te komen. Uiteindelijk bleek dat er nog steeds, ondanks de afname en uitsluiting van het DNA van de drie meest voor de hand liggende personen in de woning, een profiel van een onbekende man overeind bleef. Een ander punt van onderzoek was de observatie van Kim in het Pieter Baan Centrum om haar geestestoestand te analyseren. Zelden heb ik zo’n subjectief en onvolledige gedragsrapportage gelezen maar wel uitmondend in de meeste zware sanctie die een verdachte kan worden opgelegd namelijk TBS met dwangverpleging. Wederom wordt je dan als verdachte/advocaat voor het blok gezet immers de rechtbank zal in haar overwegingen zeker een dergelijk rapport meenemen en waar kun je terecht voor een tegenonderzoek? Ik heb toen prof. Merckelbach benaderd met het verzoek om eens te kijken wat hij van de PBC-rapportage vond. Voor de goede orde, zo’n tegenonderzoek moet je ook zelf weer betalen want er ligt namelijk al een rapportage. Prof Merckelbach maakte korte metten met de conclusies van het PBC en veegde er volledig de vloer mee aan (zie ook De Telegraaf 17 november 2007). Vervolgens adviseerde hij om twee nieuwe gedragsdeskundigen te benoemen en zij concludeerden dat Kim helemaal niet gestoord was en zeker niet in staat was om zoveel agressiviteit ten toon te spreiden. Haaks dus op de bevindingen van het PBC! Prof. Corine de Ruiter gaf tevens aan dat zij van mening was dat Kim onder druk een bekentenis heeft afgelegd. De verdediging heeft daarnaast nog diverse getuigen gehoord die niet of onvolledig door de politie waren verhoord met betrekking tot bedreigingen aan het adres van diverse betrokkenen in het drugsmilieu hetgeen tot stevige conclusies leidden, namelijk dat de ‘leugens’ van Kim, zo werden haar verklaringen steevast genoemd, zeer wel mogelijk waren en ondersteund werden door derden. Na drie zware zittingsdagen waarbij ook nog eens bleek dat de drie ‘onafhankelijke’deskundigen met de Officier van Justitie een uitgebreid vooroverleg hebben gehad en er alles aan deden om de rapportage van de deskundige van de verdediging onderuit te halen, kwam de Haarlemse rechtbank op 9 november 2007 tot de enige juiste conclusie namelijk vrijspraak met een hele forse veeg uit de pan voor de rechercheurs die betrokken zijn geweest bij dit onderzoek. Het is nu eindelijk te hopen dat het Openbaar Ministerie haar medewerkers de beginselen van een eerlijk proces waarbij de waarheidsvinding altijd voorop dient te staan, eens bij gaat brengen!!

Advocate: Mr. Esther P. Vroegh
meslandvroegh

ADRES

Nieuwe Gracht 5a, 2011 NB Haarlem
TEL 023-5512232
FAX 023-5513232
E-MAIL info@mv-advocaten.nl
SITE www.mv-advocaten.nl

Vrijspraak voor poging tot moord / doodslag.

Schietpartij Eindhoven

In februari 2007 wordt in een woonwijk in Eindhoven een schietpartij plaats op de stoep van de plaatselijk snackbar. Een slachtoffer raakte gewond, maar overleefde de schietpartij wel. Er werden drie verdachten aangehouden. Al gauw was duidelijk dat slechts een van de drie verdachten de schutter was. Het openbaar ministerie probeerde echter alle drie de verdachten strafrechtelijk verantwoordelijk te houden voor het schieten. In het geval van deze verdachte lukte dat niet. De verdediging kon door middel van een groot aantal getuigenverhoren en diverse reconstructies aantonen dat de betrokkenheid van deze verdachte niet verder reikte dan het enkel meegaan naar een plek waar een ruzie met de vuist zou worden uitgevochten. Bij die ruzie was deze verdachte niet eens betrokken en aan het gestoei voorafgaande aan het schieten had hij ook al niet deelgenomen. De verdediging wist zelfs aannemelijk te maken dat deze verdachte er geen wetenschap van had dat een van de andere verdachten een wapen bij zich droeg. De officier van justitie duidde de feiten duidelijk anders en eiste maar liefst vier jaar gevangenisstraf tegen deze verdachte. Het werd echter vrijspraak.

Advocate: mr. C.P. van Dijk te Maastricht werkzaam bij Van Berge Henegouwen advocaten