Zaken geëindigd zonder straf of maatregel? Mail de redactie!

September 2008.

Per 1 juli 2008 is het  penitentiair recht ingrijpend veranderd; de vervroegde invrijheidstelling is vervangen door de voorwaardelijke invrijheidstelling. Voorheen was het zo dat een gedetineerde na het uitzitten van 2/3 van de door de rechter opgelegde straf (van meer dan 1 jaar) naar huis mocht maar dat gaat nu veranderen. De voorwaardelijke invrijheidstelling gebeurt niet langer automatisch maar is een gunstmaatregel en er kunnen dus voorwaarden gesteld worden aan de invrijheidstelling. Het doel van die voorwaarden is de samenleving veiliger te maken en de kans op recidive (herhaling van het plegen van strafbare feiten) te voorkomen. Het houdt gedetineerden langer onder toezicht van justitie. De nieuwe regeling hanteert dezelfde termijnen voor de vervroegde invrijheidstelling maar verbindt er voorwaarden aan. Als algemene voorwaarde is steeds aan de invrijheidstelling verbonden dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig mag maken aan een strafbaar feit. Doet hij dat wel dan kan de invrijheidstelling worden ingetrokken.
Naast de algemene voorwaarde kunnen allerlei bijzondere voorwaarden aan het gedrag worden gesteld, afhankelijk van de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde. Dat kunnen gedragsbeperkingen zijn zoals een locatieverbod, een meldingsplicht of een alcohol- en/of drugsverbod. Maar ook voorwaarden als de verplichting om een cursus te volgen of aan hulpverlening mee te werken, kunnen worden opgelegd. Zo nodig kan de naleving van de voorwaarden gecontroleerd worden door middel van elektronisch toezicht.
De selectiefunctionarissen van het gevangeniswezen stellen de voorwaarden op, eventueel op advies van de reclassering en/of het Openbaar Ministerie. De voorwaarden zijn van kracht gedurende een proeftijd. Deze proeftijd gaat in op de dag van de invrijheidstelling en is gelijk aan de periode waarover voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend, maar duurt in alle gevallen ten minste één jaar.

Het Openbaar Ministerie beslist over uitstel, afstel en intrekking van de voorwaardelijke invrijheidstelling. De huidige gronden voor uitstel of afstel (bijvoorbeeld ontvluchting uit detentie of (zeer ernstige) misdraging) blijven bestaan. Als het risico van recidive van ernstige misdrijven te groot wordt geacht en de voorwaarden niet toereikend genoeg zijn, kan in de toekomst ook de invrijheidstelling worden uitgesteld. Deze vergaande beslissingen van het Openbaar Ministerie kunnen aangevochten worden bij de rechter. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om tegen disciplinaire beslissingen van de directie van de penitentiaire inrichting (bijvoorbeeld plaatsing in isolatiecel) beklag in te dienen via uw advocaat. Ook deze beslissingen kunnen immers van nadelige invloed zijn op de voorwaardelijke invrijheidstelling.
 

U ziet het, er is een grote rol weggelegd voor de reclassering. Deze ambtenaren zullen de algemene en bijzondere voorwaarden controleren en verslag uitbrengen aan het Openbaar Ministerie. Juist op het moment dat de reclassering door verregaande bezuinigingen een steeds kleinere rol krijgt toebedeeld in het strafproces en de fase daarna. Ook heeft Justitie niet echt nagedacht over de praktische invulling bij buitenlanders die in Nederland gedetineerd zijn geweest. Hoe gaat de reclassering controleren of een Colombiaan bij terugkomst in zijn moederland wel de aan hem opgelegde voorwaarden nageleefd?  

Advocate: Mr Esther Vroegh te Haarlem.

——————————————————————————————-

Juni 2008Mijn visie op de BIBOB………………….. 

De wet BIBOB was ooit bedoeld om vermenging van onder en boven wereld te voorkomen. Volgens sommige politici zou de georganiseerde misdaad namelijk op grote schaal onze samenleving dreigen te ondermijnen door het witwassen van grote hoeveelheden crimineel geld. Hoewel daar door verschillende deskundigen onderzoek naar verricht  is, is er nimmer enig bewijs gevonden voor die stelling. Integendeel er bleek juist bij verschillende bedrijfstakken niets aan de hand te zijn. Uit een uitgebreid onderzoek naar speel- en gokhallen (verricht olv. een hoogleraar strafrecht) bleek bijvoorbeeld dat van witwassen géén sprake was omdat in deze bedrijfstak de belastingen onaantrekkelijk hoog waren. Met de BIBOB wet in de hand kunnen overheidsorganen bedrijven sluiten als er maar een vermoeden of aanwijzing is dat de “bedrijfsvergunning” gebruikt wordt voor criminele activiteiten zoals witwassen.   De bewijslast daarbij is zo vaag en summier dat er bijna sprake is van een omgekeerde bewijslast. Met andere woorden de ondernemer moet aantonen dat er niets aan de hand is. Een heel vreemde wet !Het komt zodoende voor dat ondernemers door de strafrechter van alle belastende feiten worden vrijgesproken omdat er in de strafzaak géén voldoende overtuigend bewijs is en dat dan vervolgens de gemeente via de wet BIBOB op basis van de “vage aanwijzingen” die aan de strafzaak ten grondslag lagen (bijvoorbeeld CIE-info)  het bedrijf alsnog komt sluiten.Verschillende gemeenten (Amsterdam voorop) denken nu dat de wet BIBOB een ideaal werktuig is om van in hun ogen onwelgevallige ondernemers en bedrijven af te komen. Zo probeert de gemeente Amsterdam haar renovatie doelstellingen van de Wallen (het grote schoonvegen) te realiseren door met de BIBOB de ene na de andere zaak te sluiten.Oneigenlijk gebruik (misbruik) van een slechte wet die vrijwel géén rechtsbescherming aan de burger biedt. Ook in het door u geschetste geval is daar duidelijk sprake van.Er lijkt echter licht aan het einde van de tunnel. De Raad van State heeft onlangs een ondernemer in Groningen gelijk gegeven en verboden dat de gemeente zijn zaak enkel en alleen op niet gecontroleerde informatie van onze geheime politie (de CIE) zou sluiten. De zaak is inmiddels weer open.Het is nu enkel nog wachten op uitspraken van Europese rechters die deze wet definitief, als in strijd met internationale regelgeving,  in de prullenbak zullen doen  laten belanden. 

Advocaat: Mr A.S. van der Biezen.

avdbiezen@email.com

——————————————————————————————–

April 2008. 

Mijn visie…………..op vergoedingen na ten onrechte ondergane detentie.  BN-de Stem Hoge vergoeding na extra zware detentiedoor Jan Reijnders BREDA –. donderdag 24 april 2008.  Vrijgesproken gedetineerden die van ernstige feiten werden verdacht, kunnen om die reden in aanmerking komen voor extra hoge schadevergoedingen.Strafpleiter Sjoerd van Berge Henegouwen leidt dat af uit de uitspraak die de rechtbank in Breda gisteren deed over de schadevergoeding aan de van zesvoudige poging tot moord vrijgesproken R.H. uit Eindhoven. H., die ervan werd verdacht in Gilze op een huis met zes familieleden te hebben geschoten, krijgt twee keer zoveel schadevergoeding als normaal bij een vrijspraak.
Mr. Van Berge Henegouwen is opgetogen over het Bredase vonnis. “De Bredase rechters erkennen dat het nogal wat uitmaakt onder wat voor omstandigheden de detentie wordt doorgebracht. H. werd ervan verdacht dat hij op familieleden had geschoten. Dat maakt de zaak heel bijzonder. De hele familie heeft zich vervolgens ook tijdens H.’s detentie tegen hem gekeerd. Dat maakte die detentie extra zwaar.”
De 25-jarige H. zat meer dan acht maanden in voorarrest, voordat hij moest voorkomen en werd vrijgesproken.
Het standaardtarief voor onterechte detentie bedraagt 70 euro per dag doorgebracht in een Huis van Bewaring en 95 euro per dag in een politiecel.
Volgens deze formule zou H. recht hebben op 18.320 euro. Mr. Van Berge Henegouwen vond dat veel te weinig. “De schietpartij van september 2006 met een mitrailleur op het huis van een zigeunerfamilie in Gilze heeft enorme publiciteit teweeggebracht. De impact in de Roma-familie was dienovereenkomstig. H.’s eenzame detentie was ook extreem.”
De raadsman eiste daarom bijna het dubbele bedrag van het standaardtarief: 34.690 euro. De rechtbank kent dat bedrag toe, zo maakte ze gisteren bekend.
Dat is een streep door de rekening van het Openbaar Ministerie, dat het niet zo heeft op hoge schadevergoedingen aan vrijgesproken gedetineerden. “Wij voelen daar alleen voor bij ernstige reputatieschade. Dan heb je het vooral over mensen die verdacht werden van zedenmisdrijven. Verdenking van geweldsdelicten is veel minder stigmatiserend”, vindt officier van justitie. De advocaat: “De rechtbank erkent nu dat je ook recht hebt op hogere schadevergoeding bij een extra zware detentie.”   
 
Advocaat: Sjoerd van Berghe Henegouwen te Maastricht.

——————————————————————————-

Maart 2008. 

Mijn visie………….op de bezuinigingen in de gesubsidieerde rechtsbijstand.

In het regeerakkoord is  neergelegd dat 25 miljoen euro in 2008 en 50 miljoen in de daaropvolgende jaren bezuinigd dient te worden op het budget van de gefinancierde rechtshulp. De bezuiniging voor 2008 is inmiddels teruggebracht van 25 naar 10 miljoen euro. Voor de nog resterende bezuiniging van 50 miljoen in de periode 2009-2011 is het de bedoeling dat in juni 2008 bekend wordt hoe dit bedrag ingevuld zal worden. Er vindt in dit kader in opdracht van de Staatssecretaris van Justitie een beleidsdoorlichting plaats, waarin voornamelijk wordt teruggekeken op het functioneren van het stelsel van gefinancierde rechtshulp in de afgelopen jaren. Daarnaast zal onderzocht worden welke alternatieven zouden kunnen helpen de voorgenomen bezuinigingen te bewerkstelligen.  Voor een goed begrip en interpretatie van de aangekondigde bezuinigingen is het goed om te weten hoe het nu werkt. In internationale wetgeving en ook in ons eigen Wetboek van Strafrecht is vastgelegd dat iedere verdachte recht heeft op (kostenloze) rechtsbijstand. Er wordt aan hem of haar dan een advocaat ‘toegevoegd’ door de Raad voor Rechtsbijstand, de instelling die toevoegingen afgeeft en beoordeeld. Dat kan op twee manieren: als een verdachte wordt voorgeleid en in bewaring wordt gesteld door de Rechter-commissaris wordt ambtshalve een advocaat toegewezen aan de verdachte, er wordt dan een last tot toevoeging afgegeven. Het kan ook zo zijn dat iemand op vrije voeten is en een dagvaarding ontvangt, bijvoorbeeld voor een verkeersovertreding. Als het inkomen en het vermogen van die persoon onder een bepaalde inkomensgrens ligt, dan kan ook hij verzoeken om een advocaat op toevoeging, in het normale taalgebruik wordt dat vaak een pro deo advocaat genoemd. Voor de goede orde, zo’n advocaat werkt niet voor niets maar de tarifering is ver beneden het normaal gangbare uurtarief, men moet daarbij denken aan minimaal een netto halvering.  De overheid wil dus bezuinigen op de gefinancierde rechtsbijstand en beknibbelt op deze wijze naar mijn mening steeds meer op het fundamentele recht van iedere burger om zich te laten bijstaan door een vakkundig persoon die hem of haar kan helpen in de wirwar van regeltjes en wetten waar de gemiddelde verdachte niets van weet. De Raden voor Rechtsbijstand gaan nu zover dat zij menen dat bijvoorbeeld het overleg met familie of partner van een gedetineerde niet meer vergoed worden en ook bestudering van jurisprudentie en wetgeving moet uit de eigen za(a)k van de advocaat worden betaald.  Daarnaast heeft de Raad ook doorgevoerd dat bezoeken aan client slechts gedeeltelijk nog maar worden vergoed en daar een limiet aan gesteld. Uitermate vervelend op het moment dat er een fors en gecompliceerd dossier besproken dient te worden of indien de client simpelweg niet over de verstandelijke vermogens beschikt om zijn dossier efficiënt en adequaat binnen een bepaald tijdsbestek te bespreken. In onze eigen praktijk blijkt een groot punt van ergernis te zijn het gemak waarmee de Raad voor Rechtsbijstand omgaat met het verzoek om een tweede advocaat te benoemen in twee zeer gecompliceerde moordzaken. Voor de goede orde, zaken waarbij het Openbaar Ministerie zich liet bijstaan door een flink team van deskundigen en ondersteunend personeel. De Raad vond het niet nodig hetgeen impliceert dat de kantoororganisatie opdraait voor de extra kosten daar de verdediging niet wil inboeten aan kwaliteit en toch de verdediging met twee advocaten voert. Tenslotte is de Raad ook van mening dat bestudering van het dossier (zonder onderscheid naar de complexiteit van de zaak) vastgelegd kan worden in het aantal pagina’s per minuut. Daarnaast wil de Raad een opgave van de advocaten van eventuele medeverdachten zodat zij kan vergelijken wie het snelst leest en dat wordt dan de maatstaf. In onze praktijk komt het voor dat civilisten, bijvoorbeeld via een piket zonder gehinderd te worden door enige strafrechtelijk specialistische kennis, het dossier amper hebben ingezien doch de Raad houdt deze ‘ondergrens’ aan als maatstaf. Als strafrechtspecialist die forse investeringen doet in literatuur, jurisprudentie en cursussen, dient men zich dan tegenover de Raad te verdedigingen waarom er zoveel meer tijd in een dossier is gestopt.Toen begin 2007 de discussie op gang kwam over de bezuinigingen voor 2008 is een snel en globaal onderzoek verricht door de SP en de VSAN onder de advocaten die toevoegingzaken doen. 60 % van de ondervraagde advocaten reageerde meteen spontaan dat zij zouden stoppen. Naar mijn mening dient de advocatuur (bij monde van de Algemene Raad), daarbij gesteund door betrokken politici zich met hand en tand te verzetten tegen deze bezuinigingen die tot gevolg hebben dat de burger zich niet langer meer kan laten bijstaan door een advocaat.  

Advocate: Mr. Esther P. Vroegh   

ADRES

Nieuwe Gracht 5a, 2011 NB Haarlem
TEL 023-5512232
FAX 023-5513232
E-MAIL info@mv-advocaten.nl
SITE www.mv-advocaten.nl

—————————————————————————————–

Januari 2008  

Mijn visie ……op het voorstel van het openbaar ministerie om opnieuw te kunnen vervolgen na vrijspraak.  

Het openbaar ministerie kwam deze maand met een opmerkelijk voorstel. Zij willen dat ze het recht krijgen om burgers die onherroepelijk zijn vrijgesproken later toch opnieuw te mogen vervolgen. Want, zo redeneert het openbaar ministerie, als er jaren later toch nieuw bewijs gevonden wordt, dan zou het toch mogelijk moeten zijn om de vrijgesproken burger alsnog opnieuw voor de rechter te kunnen dagen. Men denkt dan vooral aan nieuwe DNA-sporen en ander forensisch bewijs wat met nieuwe technieken alsnog achterhaald kan worden. Klinkt allemaal leuk en aardig, maar het openbaar ministerie ziet een aantal belangrijke dingen over het hoofd. Als een burger onherroepelijk is vrijgesproken, dan betekent dit dat de rechter in ieder geval niet overtuigd was van de schuld van die burger op het moment dat het openbaar ministerie die strafzaak aan de rechter voorlegde. Het betekent dus ook dat het openbaar ministerie een strafzaak aan de rechter heeft voorgelegd waarin onvoldoende bewijs zat. Nog nauwkeuriger bekeken, betekent het dat de Staat een burger onnodig heeft aangeklaagd. Die burger heeft vaak een jarenlang gevecht met het openbaar ministerie achter rug. In serieuze zaken heeft de burger vaak ook nog geruime tijd in voorlopige hechtenis doorgebracht. Door het openbaar ministerie nu de bevoegdheid te geven om diezelfde burger opnieuw die Helse weg te laten afleggen, miskent het openbaar ministerie principieel dat het zelf verantwoordelijk was voor de eerste rechtsgang die voor hen met een zeperd eindigde. Het kan ook anders. Als de officier van justitie van mening is dat het onderzoek van de politie te weinig bewijs heeft opgeleverd, dan kan hij ook besluiten om de zaak te seponeren wegens te weinig bewijs. In die situatie heeft het openbaar ministerie ook nu al de mogelijkheid om bij later ontdekt nieuw bewijs de rechter toestemming te vragen om opnieuw die burger te vervolgen. Wat het openbaar ministerie nu dus eigenlijk zegt is dat zij de bevoegdheid willen om burgers minder zorgvuldig te gaan vervolgen. Ze willen een wettelijke situatie waarin er onzorgvuldig met burgers mag worden omgesprongen. De politiek moet niet meegaan met deze malle eis van het openbaar ministerie. De Minister van Justitie moet juist het openbaar ministerie aansporen om zorgvuldige vervolgings- beslissingen te nemen. De staat moet juist strafzaken tegen burgers aanbrengen waarvan men ook zelf na een kritische afweging vindt dat het zeer waarschijnlijk is dat er voldoende bewijs is om iemand veroordeeld te krijgen. Een en ander lijkt mij een veel betere garantie om zeperds bij de rechter te voorkomen.  

Sjoerd van Berge Henegouwen

Advocaat te Maastricht.  

————————————————————————————-

December 2007

Mijn visie….. op de Hells Angels en het meeluisterende Openbaar Ministerie. 

Vanaf 17 oktober 2005 sta ik een aantal leden van de motorclub Hells Angels bij die in eerste instantie verdacht werden van moord, doodslag, mishandeling, drugs en wapenhandel en afpersing. Deze strafbare feiten zouden allemaal hebben plaatsgevonden in georganiseerd verband dus het Openbaar Ministerie wilden hen tevens vervolgen voor deelname aan een criminele organisatie. Het onderzoek naar de misdragingen van deze motorliefhebbers heeft jaren in beslag genomen en vele uren mankracht; vanaf 2003 is de Nationale Recherche (een soort elitekorps van politieambtenaren) begonnen met het horen van getuigen, het zoeken van mensen die aangifte wilden doen en het tappen van verschillende Angels. Jaren later bleek dat niet alleen de Angels maar ook de advocaten waren afgeluisterd. Al die inspanningen ten spijt werden van de 48 op 17 oktober 2005 aangehouden Hells Angels diverse verdachten een of twee dagen na hun arrestatie op vrije voeten gesteld. Uiteindelijk bleven er 22 over maar ook zij werden een voor een door de raadkamer van de rechtbank Amsterdam in vrijheid gesteld wegens gebrek aan ernstige bezwaren. De afgelopen jaren tot 20 oktober 2007 zijn 22 advocaten bezig geweest met het horen van de doorde politie al verhoorde getuigen waaruit bleek dat veel van hetgeen in de processen-verbaal was neergelegd door rechercheurs niet klopte of veel te stellig was weergegeven. Daarnaast had het Openbaar Ministerie een vijftal spijtoptanten ingezet, mensen die een deal met justitie hadden gesloten, maar toen de verdediging deze getuigen weer verhoorde, bleek van dit vijftal er vier nog nooit in Nederland waren geweest maar slechts enkele weken lid waren geweest van een Duits en Amerikaans afdeling van de Angels. De vijfde getuige, Antonio D. , die veelvuldig in de publiciteit is geweest, bleek na ondervraging door de rechtbank, nogal wisselende verklaringen af te leggen die niet bepaald uitblonken in details. Het Openbaar Ministerie zag zich uiteindelijk genoodzaakt om de in eerste instantie zwaar aangezette aanklachten te laten vervallen en uiteindelijk bleven er nog drie pijlers over waarop de verdenking rustte: Wet Wapens en Munitie, overtreding van de Opiumwet en bedreiging/afpersing. In september van dit jaar werd het definitieve dossier ontvangen. In een deeldossier bleek een geheimhoudergesprek te zitten tussen mr. Meijerink en zijn client. Voor een goed begrip is het nodig om te weten dat gesprekken tussen advocaat en zijn of haar client altijd vernietigd moeten worden, dit schrijft de wet dwingend voor. De achterliggende gedachte van de wetgever is dat het in artikel 218 Wetboek van Strafvordering opgenomen verschoningsrecht berust op de eis, dat iedere burger die zich om hulp of bijstand tot de in dit artikel bedoelde hulpverleners (dus ook een arts of notaris), waaronder de advocaat, richt, erop moet kunnen rekenen dat hetgeen hen wordt toevertrouwd, geheim blijft. De wetgever vindt dit beginsel zo belangrijk voor de rechtstaat dat de waarheidsvinding in een strafzaak daarvoor moet wijken. Met andere woorden, al zou je als rechercheur zo graag willen weten wat die verdachte nu met zijn advocaat doorspreekt, je mag zo’n geheimhoudergesprek niet afluisteren en gebruiken omdat daarmee het verschoningsrecht wordt geschonden. Terecht heeft mr. Meijerink tijdens de zitting bij de Amsterdamse rechtbank om een toelichting gevraagd hoewel het Openbaar Ministerie vond dat het aanbieden van excuses voor deze fout voldoende was. In eerste instantie hadden de andere 21 advocaten niet zo’n behoefte aan een toelichting daar men in de, achteraf gezien, naïeve veronderstelling was dat het opnemen en uitwerken van geheimhoudergesprekken niet gebeurt, immers het is in strijd met de wet. Maar na het horen van een aantal rechercheurs en de voormalige zaaksofficier mr. Oldekamp, bleek dat het afluisteren van advocatengesprekken in deze strafzaak op zeer grote schaal had plaatsgevonden. Niet alleen het aantal gesprekken schokte de rechtbank en de verdediging maar ook de tijdsduur, namelijk over een periode van jaren. De afgeluisterde gesprekken waren gebundeld in een map die was weggezet in een voor iedereen toegankelijke kast, ook voor de CIE (Criminele Inlichtingen Eenheid). Niet viel uit te sluiten dat de inhoud van de gesprekken gebruikt is om onderzoeken te sturen. Op 20 december jl. zette de Amsterdamse rechtbank haar geschoktheid en irritatie om in daden en sprak de niet ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie uit. Een heel terechte en gedurfde uitspraak die hopelijk de burger weer wat vertrouwen geeft in de rechtstaat!

Mr. Esther P. Vroegh
Email: vroegh@mv-advocaten